
Jordanië heeft een oppervlakte van 97.740 km² ; het grenst in het noorden met Syrië, in het noordoosten met Iraq, in het zuiden en zuidoosten met Saoudi-Arabië, in het westen met Israël en met Palestina.
Het land kan in twee afzonderlijke geografische regios verdeeld worden : ten oosten de zeer uitgebreide woestijnvlakte van Transjordanië en ten westen de Ghor, de diepe aarddepressie die zich uitbreidt vanaf de meest noordelijke grens tot de Golf van Aqaba en de Jordaanvallei, de Dode Zee en de Wadi Arabah omvat. De enorme bergkloof, bekend als de Great Rift Valley, ontstond in een periode tussen 40 en 25 miljoen jaren geleden ; langs deze kloof overhellen de reliëfs van de oostelijke hoogvlakte, met diepe spleten veroorzaakt door seizoenstromingen, waardoor een zeer gekweld maar suggestief landschap wordt geschapen. De oostelijke woestijnvlaktes worden onderbroken door geïsoleerde rotsmassieven, de hoogste hiervan zijn de Jebel ar-Rimah (1.224 meter hoog) en de Jebel al-Asfar (1.073 meter hoog). De hoogvlakte ten noorden van Amman wordt gedomineerd door het massief van Ajlun (1.247 meter hoog), maar de hoogste reliëfs van het land de Jebel Mubrak (1.727 meter hoog) en de Jebel Rum (1.754 meter hoog) verheffen zich in het zuiden langs de depressie van de Ghor.
Het klimaat van Jordanië is warm en droog, met weinig neerslag, die in het zuiden en oosten nog minder is. Een groot deel van het gebied is dus dor, de enige vruchtbare plaatsen zijn dan ook de dalen van de Jordaan en van haar weinige bijrivieren, waar de gewassen van de Middellandse Zee overheersen.
In de oostelijke woestijn bevinden zich geïsoleerde oasen, de grootste is die van Azraq.
Daar het watervermogen van de rivieren zeer beperkt is, heeft de regering grote geldbedragen geïnvesteerd in de bouw van verschillende kunstbekkens, gebruikt voor de irrigatie en voor de productie van elektriciteit. Deze bekkens hebben de toename van de landbouwproductie begunstigd en dit is van groot belang voor een land dat zeer arm aan natuurlijke bronnen is (alleen fosfaten en kaliumzouten zijn er in overvloed) ; ook de veeteelt en de industrie vertonen een langzame maar constante groei.
![]()